Historie

Midden in de Betuwe staat aan de rand van een gebied met fruitteelt een pannenkoekenrestaurant met daarop de grootste molen van de provincie Gelderland.

Deze zeer forser achtkante, met rietgedekte stellingkorenmolen is gebouwd met oude onderdelen en materialen van een molen uit Duitsland. De Duitse moleneigenaar die de molen niet langer kon onderhouden en de molen als ‘molenwrak’ voor herbouw heeft verkocht, wist te vertellen dat de molen ruim twee eeuw eerder uit Friesland kwam.
De oudste geschiedenis van de molen zal in nevelen gehuld blijven.


Halverwege de negentiger jaren van de 20e eeuw heeft de familie Timmer deze molen helemaal in eigen beheer en zonder subsidie herbouwd.
Zoon Jan, die nu een aannemersbedrijf heeft, maar bij aankoop en demontage van de oude Duitse molen slechts 14 jaar oud was, leerde voor timmerman en samen met het gezin Timmer en een vriend, Rene Scholtens begon men aan deze herbouw.
Van de molen in Duitsland zijn alle stenen zogenaamde ‘rooswinkels’ handmatig afgebikt en opnieuw gebruikt voor de onderbouw, de achtkantstijlen en andere balken zijn verwerkt in de molenschuren en van de molen zelf is het bovenwiel met de vang en vangbalk, de voeghouten en het boventafelement opnieuw gebruikt.

‘De molen werd in een periode
van zeven jaar gebouwd.’

Voor het achtkant, de koningspil en het verdere staande werk van de constructie mocht via de Edese Houtzagerij J. Brons uit Harskamp gebruik gemaakt worden van hout uit de Kroondomeinen ‘het Loo’.
Verder zijn materialen van een klooster uit Brabant hergebruikt.
De herbouw werd begeleid en mede-uitgevoerd door voormalig molenopzichter van de provincie Gelderland Jan Heijdra die expert is in het (her)bouwen van molens zoals korenmolen ‘de Hoop”in Harderwijk of de molen van Holambra in Brazilië en thans de herbouw van de Puurveensemolen in Kootwijkerbroek.

Jan Heijdra; ‘Arie Timmer benaderde mij dat hij een molen wilde bouwen.
Ik hield ‘m nog wel voor dat daar geen droog brood mee was te verdienen, maar hij wilde het.
Ook zag ik moeilijkheden in het krijgen van een sloopvergunning van de molen in Duitsland en een bouwvergunning op het industrietrein in Kesteren, maar het is ‘m allemaal gelukt.
Ik weet nog hoe we in Duitsland de molen tot de grond toe af hebben gebroken en met twee zwaarbeladen vrachtwagens van Babypark wegreden.
De vrachtwagen met open aanhanger was zo zwaar beladen dat hij doorboog van de maalstenen, bovenas en zware balken.
Ze spraken af dat bij het politiebureau de vrachtwagen met dichte aanhanger de open vrachtwagen zou gaan inhalen, zodat de Duitse politie de veel te zwaar beladen vrachtwagen niet zou kunnen zien, anders hadden ze ‘m vast van de weg gehaald.
Jan was erg handig met een kettingzaag, ik tekende alles af en zo werd de molen in een periode van een jaar of zeven gebouwd.
Voor het specifieke molenmakerswerk kwam Nico van Koert van molenmaker H. Endendijk&Zn. uit Terschuur.
Ik was er, met uitzondering van een periode tijdens de bouw van een molen in Brazilië, de helemaal bij betrokken.’

‘Ik zag moeilijkheden in het krijgen
van een sloop- en bouwvergunning
maar het is ‘em allemaal gelukt.’

De passie voor molens zit al in het voorgeslacht van de familie Timmer, vader en grootvader waren ook molenaars.

Cornelis van Tuijl, de grootvader van Arie Timmer en tevens de oprichter van de familieonderneming waar het pannenkoekenrestaurant, Babypark en meubelboulevard ´De Bongerd´ bij hoort, was korenmolenaar in Brakel.
Cornelis was boerenzoon en ging als knecht werken bij de korenmolen van Gameren. Toen hij het ambacht beheerste, huurde hij vanaf 1923 de molen en kocht hem in 1926 van een een telg uit het geslacht van ‘de Heren van Brakel”die de molen eeuwen in bezit heeft gehad. Na een moeilijke periode waarin zelfs sprake was de molen af te breken, werd deze in 1938 ingrijpend hersteld en voorzien van het wiekssysteem van molenmaker Chris van Bussel uit Weert. Cornelis van Tuijl gaf de tot dan toe naamloze korenmolen de naam ‘de Zwaluw” omdat de gestroomlijnde wieken net als de vleugels van een zwaluw sneller bewogen.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd deze molen op 23 april 1945 door de Duitse bezetters verwoest omdat molens, net als kerktorens, door de geallieerde legers als uitkijktorens konden worden gebruikt.
Men kreeg een half uur de tijd om nog wat belangrijke eigendommen uit de molen te halen en toen is de molen met kisten dynamiet totaal vernietigd. Vanachter een dikke kastanjeboom die in de nabijheid stond zag hij zijn molen in enkele seconden veranderen in een puinhoop.


Hierna begon Cornelis van Tuijl aan de Dwarsssteeg een graanmaalderij op motorkracht, gebouwd van materialen van een in de oorlog kapotgeschoten schip en de Brakelse steenoven. Op 30 oktober 1945 plaatste hij een advertentie voor zijn nieuwe maalderij.
In de jaren vijftig kocht Cornelis voor zijn schoonzoon (Henk Timmer) en zoon (Gijs van Tuijl) een incomplete molen in Haaften welke werd voorzien van kap en gevlucht zodat het weer een graanmaalderij op windkracht werd. Deze molen werd de Blauwe Reiger genoemd. Bedenker van deze naam was dhr. Hattink uit Buurmalsen, destijds bestuurslid van Vereniging De Hollandsche Molen. Hattink had van de Cornelis Van Tuijl gehoord dat deze molen rustiger liep dan zijn vorige molen, dit ondanks dat de molen in Haaften werd voorzien van dezelfde wiekverbetering van molenmaker van Bussel, die op zijn vorige molen in Brakel was toegepast. Omdat de molen in Haaften aan de Waal staat en vrij groot is, leek Hattink de naam De Blauwe Reiger geschikt, dit is namelijk een vogel is met langzamere vleugelslag dan een zwaluw.

Na een periode van samenwerking tussen Henk Timmer met zijn zwager Gijs van Tuijl in de firma van Tuijl en Co, zette Henk Timmer vanaf de jaren zestig het maalbedrijf alleen voort tot halverwege de jaren zeventig.
Henks zoon, Arie Timmer, zag niet langer een rendabele toekomst in een traditioneel maalbedrijf met een windmolen en ging de meelhandel in. Een windmolen kon niet langer concurreren tegen grote veevoederfabrieken en boerencoöperaties met eigen maalderijen.

Arie Timmer leerde zijn vrouw kennen en samen met haar kennis van babykleding en zijn ondernemingsgeest werd de basis gelegd van Babypark op het industrieterrein in Kesteren.
Nadat Babypark zich uitbreidde, kon Arie zijn jongensdroom om een molen te bouwen realiseren.

‘Ik was een jaar of zestien en bijrijder, op een vrachtwagen. We waren een keertje bij Maurik endaar stond een romp van een onttakelde molen genaamd ‘de Hoop’. Deze molen was in 1932 onttakeld maar de maalstenen die waren er nog, die stonden rechtop z´n kant ingegraven.
Die moet ik zien te krijgen dacht ik bij mezelf dus ik erheen met de vraag of ik die molensteen mocht hebben.
Nou, daar keken ze wel van op zeg, `wie ben jij en wat moet je eigenlijk met die molenstenen aanvangen?`
Ik vertelde dat m´n vader een molen had bij Haaften en dat ik ze heel graag wilde hebben.
Als ik ze zelf uitgroef en de gaten netjes dichtmaakte, mocht ik ze hebben.

‘Zo die heb ik alvast dacht ik bij mezelf,
Het begin van mijn eigen molen is er.’

En zo kwam ik bij een grondbedrijf en hebben ze me geholpen die stenen eruit te halen, de grond netjes te maken en de stenen in Haaften bij de molen van m´n vader te brengen.
Zo, die heb ik alvast dacht ik bij mezelf, het begin van een eigen molen is er!
Daar hebben ze gelegen totdat ik later in Opheusden ging wonen en nu liggen ze in de molen. Dat blauwe dertiende koppel onder de houten silo.
Ondanks dat ze in de grond hebben gezeten, uitgegraven zijn en er mee is gesleept, zijn ze niet gescheurd door de vorst of op een andere manier beschadigd en we hebben er tonnen tarwe tot mooi meel mee kunnen uitmalen.

Toen de molen klaar was zijn we gaan malen. Elke zaterdag begon ik erg vroeg, soms om zes uur al om zakken graan op te luien.
Samen met een paar zoons, broer Kees, zoons van mijn broers en ome Piet van Tuijl (die ook nog gewerkt heeft bij de molen van mijn vader in Haaften) werkten we de hele dag.
Ik had een betonfabriekje gekocht en de silo’s naast de molen gezet. We hadden ook een vrachtwagentje die de silo’s met een blaaspijp vol graan blies. Uiteindelijk werd het een heel meelfabriek waarbij twee motorkoppels draaide en als het erg hard waaide, twee koppels tegelijk op de wind.
Met proberen en experimenteren kwamen we uit op onze eigen samenstellingen voor brood, cake, pannenkoekenmeel. Naast veel particulieren klanten in de meelwinkel, hadden we ook een aantal grote afnemers.
We maalden soms wel acht tot negen ton meel in de week.

‘Eigenlijk ben ik gewoon molenaar.’

Het plan om meel te gaan malen voor een pannenkoekenrestaurant die onder de molen moest gaan komen haalde ons in door z’n eigen succes.
Het restaurant begon eenvoudig en gewoontjes, maar groeide uit tot een restaurant met zalencentrum waarin we nu met professionele koks en bediening groepen, bruiloften en zakengezelschappen van wel honderden personen kunnen ontvangen.
Maar een malende korenmolen is met het transport, meelstof en het risico op ongedierte niet goed mogelijk boven een restaurant met uitgebreide keuken waar men aan kwaliteitseisen moet voldoen. Daarom wordt op een andere molen ons meel gemalen volgens onze receptsamenstellingen en malen we alleen nog kleinschalig op De Zwaluw.
Alhoewel ik me nu dagelijks bezig houd met de familieonderneming Babypark, de Bongerd en de pannenkoekenfabriek, ben ik eigenlijk gewoon molenaar.’

PDF-download-icon-100x100Klik op de button om de technische gegevens van Molen ‘De Zwaluw’ te downloaden.